Een begrip bepaalt de geschiedenis

Welke naam voor deze regio?

Oost-België. Duitstalige Gemeenschap. Eupen-Malmedy. Eupen, Malmedy, Sankt Vith. Oostkantons. Duits-België. Duits-Oost-België. Nieuw-België. Teruggevonden kantons (‘cantons rédimés’). Grondgebied met Duitse moedertaal … De lezer die zich verdiept in de geschiedenis en de streek van de huidige Duitstalige minderheid in België komt deze begrippen geregeld tegen. Maar welk begrip is het juiste? Wat betekenen deze begrippen? En vanwaar dit veelvoud aan begrippen voor wat één regio lijkt te zijn?

In 1815 werd het Rijnland bij Pruisen ingelijfd. Er ontstonden drie bestuurlijke eenheden: de districten Eupen, Malmedy en Sankt Vith. De Hoge Venen, een hoogveen, vormden een natuurlijke barrière tussen het district Eupen en de districten Malmedy en Sankt Vith.

In 1821 werd het district Sankt Vith opgeheven en in het district Malmedy geïntegreerd. Malmedy en de streek errond telde in die tijd ongeveer 10 000 inwoners, van wie niet zozeer het Frans, maar het Waals de moedertaal was. Hun eerste vreemde taal was het Duits, vele van hen voelden aan het einde van de 19de eeuw Pruisische Walen.

In 1920 trad het Verdrag van Versailles in voege. De districten Eupen en Malmedy werden aan België afgestaan en vormden voor het eerst een eenheid, hoewel in het dagelijkse leven nog in grote mate door de Hoge Venen van elkaar gescheiden. In het oude thuisland Duitsland won het begrip ‘Eupen-Malmedy’ terrein. De Belgen daarentegen spraken over de cantons rédimés, de teruggevonden kantons, in mindere mate over ‘de Oostkantons’ of ‘de kantons Eupen, Malmedy en Sankt Vith’. In Luxemburg werd de streek als Nieuw-België, het nieuwe deel van België, benoemd.

In 1940 werd de regio opnieuw Duits. De nazi’s hadden het over ‘het teruggekeerde Eupen-Malmedy’.

In 1944/45 werd de streek opnieuw Belgisch. Voortaan werd het begrip ‘Oostkantons voor ambtelijk gebruik vastgelegd. In en rondom Malmedy spraken de inwoners echter uitsluitend Waals en Frans.

De taalwetten uit 1962 en 1963 legden de Belgische taalgrenzen vast en omschreven een Duits taalgebied in België. Voortaan bestempelden de leden van deze taalkundige minderheid zich in toenemende mate als Duitstalige Belgen.

In 1973 verkreeg de Duitstalige minderheid als ‘Duitse Cultuurgemeenschap’ een eigen parlement en eerste autonomierechten.

In de jaren 1970 gebruikten radicale autonomievoorstanders de begrippen Duits België’ en ‘Duits Oost-België’, die uiteindelijk geen succes kenden.

In 1983 werd de ‘Duitstalige Gemeenschap’ opgericht. Sinds 1984 beschikte ook de Duitstalige minderheid in België officieel over een eigen regering.

Rond de millenniumwissel werd het begrip ‘DG’ als afkorting van ‘Duitstalige Gemeenschap’ sterk door de regering als identiteitsvormende benaming opgeëist.

Sinds 2017 wordt de regio als ‘Oost-België’ gecommercialiseerd.

Deze webpagina werpt een licht op alles wat achter elk van deze begrippen schuilgaat.

Elke burger ontwikkelt een eigen identiteit die voornamelijk regionaal bepaald wordt. De begripsgeschiedenis die aan het huidige ‘Oost-België’ voorafgaat, weerspiegelt dan ook gemaakte identiteitskeuzes. Er zijn begrippen die getuigen van de manier waarop men in het politieke centrum de Duitstaligen in het huidige oosten van België aanzag of wilde aanzien. Andere begrippen helderen op hoe de Oost-Belgen zich de voorbije twee eeuwen zelf aanzien hebben en vandaag zien. Hierdoor was en is het gebruik van een begrip (bijna) altijd politiek en historisch geladen.

zurück zur Übersicht