Na-oorlogse periode (1950-1973)

Tot in de jaren 1970 wenden veel Oost-Belgen zich tot leraren, priesters of ambtenaren voor het invullen van officiële formulieren in het Frans die ze niet begrepen. In de rechtbank konden de Duitstaligen niet in hun moedertaal getuigen. In het postkantoor en in de overheidsinstellingen spraken veel ambtenaren alleen maar Frans. Veel scholieren moesten naar de Franstalige middelbare school zonder voldoende kennis van die taal. Pas door de erkenning van hun minderheidstaal konden de Duitstaligen in België ook in hun eigen taal hun zegje doen. Ik zal je uitleggen waarom de erkenning van een minderheidstaal en -cultuur en inspraak voor een goede manier van samenleven in een land zo belangrijk zijn.

In de loop van de 19e eeuw had België zich zeer snel ontwikkeld tot een centrale unitaire staat. Na 1945 was het nog slechts een schim daarvan. Een Franstalige upper class domineerde het land. De Waalse en Franstalige bevolking profiteerde van hun kennis van de officiële taal. De Vlaamse meerderheid had slechts weinig culturele en taalkundige rechten. Het verzet tegen deze unitaire staat nam toe.

BS

In het land was er daardoor sinds de jaren 1950 een duidelijke kentering. In 1948 werd een studiecentrum opgericht, vernoemd naar de Belgische politicus Pierre Harmel. Hier werd tot 1955 gewerkt aan een rapport over de nationale problemen, dat in 1958 werd aangenomen. Het gevolg was dat in 1962 de taalgrenzen in België bij wet werden vastgelegd. Een jaar later werd het gebruik van de talen in het onderwijs vastgelegd. In België ontstond er een officieel Duitstalig gebied, bestaande uit de huidige negen Duitstalige gemeenten. Vanaf nu kon elke Duitstalige in theorie aanspraak maken op zijn recht om in zijn moedertaal met de overheid te communiceren. In de praktijk duurde het vele jaren voordat dit recht algemeen was geïmplementeerd. Het leidde echter tot een nieuw zelfbewustzijn van de minderheid voor haar rechten in de staat.

De huidige fusiegemeenten Malmédy en Waimes behoorden vanaf dat moment tot het Franse taalgebied. De beslissing over de aansluiting werd genomen door de respectieve gemeenteraden. In de gemeente Kelmis viel dit besluit met een meerderheid van slechts één stem uit in het voordeel van het Duitse taalgebied.

Pankert

De taalwetten waren echter maar een eerste stap. De Vlaamse Beweging eiste niet alleen taalkundige rechten in het onderwijs, de overheidsdiensten en de rechtspraak, maar ook politieke medezeggenschap. De Vlamingen vonden dat ze benadeeld werden. Alleen de Oost-Belgische studenten in het (Vlaamse) Leuven maakten de grote spanningen tussen Franstaligen en Vlamingen van dichtbij mee. In de Oostkantons werden de ernstige interne Belgische spanningen in de jaren 1960 nauwelijks waargenomen of in de pers beschreven. De interne Belgische discussies over autonomie overspoelden deels de getraumatiseerde minderheid, die zich vanaf het eind van de jaren 1960 moest positioneren.

Voor historici rijzen de volgende vragen: Hebben de Duitstaligen echt voor hun autonomie gestreden? Of was die een bijproduct van de spanningen tussen de twee grote etnische groepen, Vlamingen en Walen? Welke belangengroepen hebben de democratische co-existentie met welke doelstellingen bepaald?

Een terugblik:

  • De twee decennia na het einde van de Tweede Wereldoorlog werden gekenmerkt door een sterke depolitisering van het openbare leven in Ostbelgien. Symptomatisch voor deze depolitisering was dat beweerd werd dat een Duitstalige Belg zelfs geen lid meer wilde worden van de meest onschuldige vereniging. Dit gedrag maakte deel uit van het collectieve zwijgen.
  • De publieke opinie werd bepaald door "Grenz-Echo", een krant met een monopoliepositie en uitdrukkelijk de spreekbuis van de CSP (Christlich-Soziale Partei = Christelijk-Sociale Partij). Deze burgerlijke conservatieve partij maakte in het Brusselse parlement bijna altijd deel uit van de regeringscoalitie. De CSP domineerde het lokale politieke leven. Tussen 1946 en 1965 stemde tussen 93 en 69 procent van de kiesgerechtigden in Ostbelgien op deze partij. De CSP gold als "Partij van de Oostkantons".
  • Administratief werd de regio bestuurd door adjunct-arrondissementscommissaris Henri Hoen tussen 15 januari 1945 en 1 december 1976. Tot in de jaren 1960 probeerde hij de politieke richtlijnen uit te voeren die de Belgische regering in 1946 had geformuleerd: een verregaande sluiting van de Duits-Belgische grens en de oriëntatie van de Duitstaligen naar het binnenland, de verspreiding van een overdreven Belgisch nationalisme en de bevordering van de Franse taal in bestuur en onderwijs ten nadele van het Duits.
  • Veel Oost-Belgen hadden het gevoel dat ze in België geen economische doorgroeimogelijkheden hadden. Bovendien was de Belgische Eifel structureel zwak. In de landbouw gingen banen verloren en er was onvoldoende alternatieve werkgelegenheid. Veel Duitstalige Belgen trokken weg en de economische ontwikkeling bevond zich op een zeer laag peil.

Onderzoek tot nu toe toont aan dat er in de jaren 1960 cesuren en keerpunten waren: generatiespecifieke, omdat jongere politici een nieuwe kwaliteit in het debat introduceerden; sociale, omdat juist hier de discriminatie van het platteland en de minderheid bijzonder duidelijk werd; politieke, omdat de dominantie van de CSP zulke vormen aannam dat tegenreacties niet konden uitblijven.

Kaperberg

De communicatieve herinnering wordt langzaam maar zeker aangevuld met een cultureel geheugen, waarin de maatschappelijke trauma's van de Eerste en Tweede Wereldoorlog worden aangesneden of zelfs op de kaart worden gezet:

  • In Sankt Vith, Eupen en Kelmis worden heemkundige verenigingen opgericht.
  • Jonge Duitse en Zwitserse wetenschappers onderzoeken de verandering van vaderland van 1920, het interbellum en de oorlogsperiode.
  • De Belgische radio, met uitzendingen in het Duits (BHF), zendt een reeks uit over "50 jaar Oost-België".
  • De eerste historische werken uit de regio verschijnen.

In de jaren 1960 ontstond er een langzame "pluralisering van de verschillende meningen": De Aachener Volkszeitung publiceerde een dagelijkse bijlage over Ostbelgien (1965-1989); de hoofdredacteur van Grenz-Echo, Henri Michel, werd vervangen door Heinrich Toussaint, die duidelijk veel meer ruimte gaf aan andere meningen; de Duitstalige uitzendingen van de Belgische radio werden uitgebreid en dat droeg bij aan de opinievorming.

Tot 1965 was de Christlich-Soziale Partei (CSP) de enige spreekbuis van Ostbelgien in Brussel. De naoorlogse lethargie werd in de verkiezingsstrijd van 1968 voor het eerst doorbroken. De PFF (Partei für Freiheit und Fortschritt = Partij voor Vrijheid en Vooruitgang) kreeg na een opmerkelijk moderne verkiezingscampagne een derde van de stemmen. De CSP behaalde nog maar nauwelijks de absolute meerderheid. Vanuit huidig oogpunt waren veel stemmen waarschijnlijk niet zozeer een stem voor de liberale partij maar veeleer een uiting van maatschappelijk protest, dat de nu gecoöpteerde senator Michel Luis (PFF) van Sankt Vith naar Brussel bracht. Hij streed onverschrokken voor de erkenning van de Duitstaligen als minderheid en voor de autonomie. Ostbelgien ging een actieve en controversiële rol in de politiek spelen.

De algemene waardeverschuiving veranderde de maatschappij, het dagelijks leven en het gebruik van de media. Er ontstonden nieuwe patronen van co-existentie, die door de democratisering van het onderwijs aanzienlijk werden versterkt. Steeds meer burgers durfden deel te nemen aan het politieke leven. Er was sprake van een hernieuwde politieke bewustwording in het openbare leven.

Einsetzung

Als eerste regionale politieke groepering ontstond in 1970 de CUW (Christlich-Unabhängige Wählergemeinschaft = Christelijk Onafhankelijke Kiezersunie), die in 1971 opging in de PDB (Partei der deutschsprachigen Belgier = Partij van de Duitstalige Belgen). De woordvoerders waren jonge politici die vooral in Leuven kennis hadden gemaakt met de Vlaamse visies op autonomie en federalisme. In de autonomiediscussies stelden ze maximale eisen, maar aan de andere kant stonden de zogenaamde traditionele partijen. Een minderheid van de gevestigde politici verwierp elke transformatie van de Belgische staat. De meerderheid in deze partijen bekeek het proces vooral met argwaan. Na langdurig aarzelen kozen ze voor een beleid van kleine stapjes in samenwerking met hun nationale moederpartijen. Daardoor sprak Ostbelgien politiek met veel stemmen.

Bij de gevestigde Belgische partijen was het besef doorgedrongen dat België op nationaal niveau alleen nog door ingrijpende hervormingen kon worden gered. De culturele autonomie van de taalgemeenschappen moest een eerste stap zijn. Zo moest de politieke druk van de federalistische Vlamingen op de staat worden verlicht. Bij de eerste staatshervorming (1970-1971) werden de Nederlandse, Franse en Duitse cultuurgemeenschappen opgericht.

De autonomie van de Duitstalige minderheid begon op 23 oktober 1973 met de oprichting van de Raad van de Duitse Cultuurgemeenschap. Deze werd in 1974 als eerste Cultuurraad voor het eerst rechtstreeks en vrij gekozen. De Vlaamse en Franse Cultuurraad werden weliswaar al in 1971 ingesteld, maar pas de vierde staatshervorming van 1993 voorzag in rechtstreekse verkiezingen. Deze vonden voor het eerst in 1995 plaats. De Brusselse Gewestraad werd sinds zijn oprichting in 1989 rechtstreeks verkozen.

De Raad van de Duitse Cultuurgemeenschap beheerde in 1974 een begroting van omgerekend ongeveer 300.000 euro. Bovendien beschikte hij over weinig bevoegdheden. Voor de politiek geïnteresseerde burgers was hij echter het symbool van de lang verwachte erkenning van de Duitstalige minderheid met haar taal, geschiedenis en cultuur. Als politiek forum moest hij een doorslaggevende rol spelen bij de discussies over autonomie en het vormgeven van het autonomieproces in Eupen en Brussel. Alleen dankzij de culturele autonomie werd het voortbestaan van de Duitse taal en cultuur in België veiliggesteld.

In 1950 waren er voor Ostbelgien twee mogelijke toekomstbeelden: Een regio waarin de Franse taal de Duitse moedertaal op school, bij de overheidsdiensten bestuur en in het dagelijks leven snel zou verdringen. Of een regio waarin de Duitse moedertaal en cultuur werden erkend en inspraak mogelijk werden. Welke optie zou jij hebben gekozen en met welke argumenten? Wat betekent inspraak voor jou? Bewandel je liever de gemakkelijke weg, ben je onmondig en laat jij voor jou alles bepalen? Of wil je opkomen voor je rechten en je engageren?

 

Leestips:

Christoph Brüll, Carlo Lejeune (uitg.): Grenzerfahrungen. Eine Geschichte der Deutschsprachigen Gemeinschaft Belgiens [= Grenservaringen. Een geschiedenis van de Duitstalige Gemeenschap van België]. Säuberung, Wiederaufbau, Autonomiediskussion (1945-1973) [= Zuivering, wederopbouw, autonomiediscussie (1945-1973)]. Eupen 2014.

Freddy Cremer, Andreas Fickers, Carlo Lejeune (uitg.): Spuren in die Zukunft, Anmerkungen zu einem bewegten Jahrhundert [= Sporen naar de toekomst, opmerkingen over een bewogen eeuw]. Büllingen 2001.

  • 1968

    Sekundarschulgründungen

    Sekundarschulgründungen in Bütgenbach, Büllingen und Reuland

  • 1965

    Gründung Geschichtsvereine

    Gründung des Geschichtsvereins ZVS/ Eupener Geschichts- und Museumsverein/ Im Göhltal

  • 1963

    Töpfereimuseum

    Eröffnung Töpfereimuseum Raeren

  • 1962

    Sprachengrenze

    Sprachengrenzen werden festgelegt (Gesetz v. 08.11.1962)

  • 1957

    Volksbildungswerk

  • 1954

    Schulkampf

    Schulkampf im Sekundarschulwesen - Großkundgebung in Sankt Vith

  • 1948

    Staatliche Mittelschulen

    Gründung Staatliche Mittelschule St. Vith, Kelmis, Eupen

  • Maria Goretti Sankt Vith

    Gründung Institut Maria Goretti St. Vith

  • 1945

    Heimkehr

    Heimkehr Kriegsgefangene

  • Emissions en langue allemande

    Belgisches Radio in deutscher Sprache