Autonomie (1973-1994)

Eigen identiteit is een modebegrip geworden. Iedereen wil zijn eigen identiteit ontplooien en op basis daarvan zijn eigen bestaan bepalen. Ook levensgemeenschappen - minderheden bijvoorbeeld - doen dat. Wie de geschiedenis van Ostbelgien bekijkt, stelt vast dat veel maatschappelijke groepen in Ostbelgien er in de jaren 60 en 70 van vorige eeuw totaal verschillende, vaak tegengestelde visies over de toekomst van de Duitstalige Belgen op na hielden. In 1973 kregen zij een eigen volksvertegenwoordiging met weinig bevoegdheden. Dit politieke forum bood echter de gelegenheid om over de toekomst en het zelfbeeld te debatteren. Ik vraag me af of alleen controversiële discussies de ontwikkeling van een zelfbeeld mogelijk maken, onder meer bij deze minderheid?

In de jaren 1970 ondergingen de samenlevingen in de West-Europese landen grote veranderingen. De Katholieke Kerk, het lidmaatschap van politieke organisaties en traditionele beroepsgroepen, de rol van de vrouw in de samenleving of de samenstelling van het gezin volgens klassieke patronen speelden in het leven van veel mensen een heel andere rol spelen dan ervoor. Tegelijkertijd werden vragen over zelfverwezenlijking, vrede, natuurbehoud of culturele participatie belangrijker. De maatschappijen werden heen en weer geslingerd tussen gemeenschappelijke problemen en doelstellingen (werkloosheid, behoud van de welvaart, vertrouwensbreuk…) enerzijds en de nieuwe ik-mentaliteit (zelfverwezenlijking, individualisme…).

Einsetzung

Installatie van de eerste Executieve van de Duitstalige Gemeenschap, op 30 januari 1984. Bron: Staatsarchief Eupen
 

België speelde een bijzondere rol in deze ontwikkeling. De staat verkeerde in een crisis en men stelde zich deze vragen: Hoe moet de Belgische staat zich verder ontwikkelen om de conflicten tussen de grote taalgroepen - Vlamingen en Walen - op te lossen? Hoe moeten participatie en autonomie georganiseerd worden voor de twee grote taalgroepen en voor Brussel?

Ook in Ostbelgien paste de rurale, katholiek-conservatieve samenleving zich steeds sneller aan de veranderingen van deze tijd aan. Door de mobiliteit en de nieuwe communicatiemiddelen raakte Ostbelgien meer dan ooit verweven met de omliggende regio's. De fundamentele politieke vraag was eigenlijk dezelfde als in de andere delen van België: Welke plaats moeten de Duitstalige Belgen in de veranderende Belgische staat krijgen en hoe moet hun politieke participatie georganiseerd worden?

Op 23 oktober 1973 werd de Raad van de Duitse Cultuurgemeenschap (RdK) opgericht. Hij bestond uit 25 leden, die vanaf 1974 rechtstreeks werden verkozen. Tot de oprichting van de Raad van de Duitstalige Gemeenschap (RDG) in 1983 beschikte de Raad van de Duitse Cultuurgemeenschap (RdK) maar over weinig bevoegdheden en begrotingsmiddelen. Toch ontwikkelde hij zich al snel tot een belangrijk discussieforum, waar over de toekomst van de Duitstalige Belgen werd nagedacht, gedebatteerd en ook flink gekibbeld. De Raad kreeg op die manier een grote symbolische betekenis.

Politiker

Deze politici beïnvloedden de geschiedenis van de huidige Duitstalige Gemeenschap. Links: Alfred Evers (PFF), rechts: Reiner Pankert (1, PDB), Henri Hoen (2), Johann Weynand (3, CSP). Bron: Rijksarchief Eupen

 

Bij de fundamentele discussies in Ostbelgien draaide het om deze vraag: Moeten de Duitstalige Belgen als zelfbewuste minderheid en als gelijkgerechtigde taalgroep in een federalistische geest maximale eisen stellen? Of mogen zij als schuchtere minderheid in nieuwe structuren slechts over minimale culturele grondrechten beschikken?

De traditionele Oost-Belgische partijen (CSP, PFF, SP) kozen in de jaren 1970 voor een zeer stapsgewijze aanpak. Hun doel was het om de culturele basisrechten van de Duitstalige Belgen te vrijwaren, in overleg met hun overkoepelende Belgische moederpartijen. Ze streefden niet noodzakelijk naar een gelijkstelling met de andere cultuurgemeenschappen. Enerzijds geloofden ze niet dat een minderheid dezelfde rechten kon hebben als een meerderheid, anderzijds werd een duidelijk engagement voor de Duitse cultuur nog altijd als taboe en vijandig tegenover België beschouwd. Deze partijen argumenteerden dat het lot van de minderheid in grote mate afhing van de houding van de nationale moederpartijen in Brussel. Achteraf gezien kan het gedrag van deze partijen omschreven worden als collectieve aarzeling.

De Partei der deutschsprachigen Belgier [Partij van de Duitstalige Belgen] (PDB, 1971-2009) zag zichzelf daarentegen als een "drijvende kracht" voor een autonomie van de Duitstalige minderheid die gelijkwaardig was met die van de twee andere grote taalgroepen. Via de Volksunie, een Vlaamse regionale partij, was ze gelieerd met de Belgische nationale politiek. Haar rolmodel was de Südtiroler Volkspartei [Zuid-Tiroolse Volkspartij]. Deze wist een ruime autonomie te verkrijgen, omdat ze erin slaagde de politieke vertegenwoordiger te worden van de overgrote meerderheid van de Zuid-Tirolers, op opbouwende wijze autonomie-eisen door te zetten en in Italië erkend te worden als de enige spreekbuis van de minderheid. Dankzij een gelijkwaardige autonomie hoopte de PDB op sociale vooruitgang voor grote delen van de Oost-Belgische samenleving en economische vooruitzichten voor de structureel zwakke regio.

Subventionen

Dankzij de autonomie kon de verdeling van subsidies dichter op de Oost-Belgische bevolking betrokken worden. Bron: Rijksarchief Eupen

 

De wispelturige geschiedenis en de verschillende historische ervaringen overschaduwden de politieke debatten:

  • De duidelijke adhesiebetuiging tot de Duitse cultuur en de rol van de minderheden in de Belgische unitaire staat werd door de traditionele partijen vaak bestempeld als een "Heim-ins-Reich"-argument, een pleidooi voor de terugkeer naar het grote Duitsland. De politieke tegenstanders probeerden daarmee de indruk te wekken dat de PDB op lange termijn voorstander was van een afscheiding van België.
  • De traditionele partijen schuwden een zelfverzekerde houding als minderheid. Zij zagen meer heil in een onderdanige rol als bewijs van de loyaliteit aan de Belgische staat. De PDB deed deze houding af als overdreven Belgicistisch patriottisme. Daarmee probeerde deze partij ook de indruk te wekken dat de politieke tegenstanders een onbeduidend aanhangsel waren van de Waalse partijen, die de werkelijke belangen van de Duitstalige minderheid niet verdedigden.

De politieke kringen in Brussel konden alleen maar vaststellen hoe verdeeld de Oost-Belgische partijen over mogelijke toekomstvisies waren. Slechts af en toe slaagden de partijen in de RdK erin een gemeenschappelijk doel te formuleren. Wellicht daardoor werden de afzonderlijke staatshervormingen in Ostbelgien pas tegen het eind van het millennium doorgevoerd, vergeleken met de veel snellere omzetting ervan bij de Vlamingen en de Walen.

Andere grote debatten over de eigen identiteit van deze minderheid werden in 1987 op gang gebracht door de zogenaamde Niermann-affaire. De regionale partij PDB en de met haar gelieerde culturele organisaties hadden geld aanvaard van de Duitse Hermann-Niermann-Stichting. Het bestuur van die stichting bestond een tijdlang uit leden met een extreemrechtse achtergrond. De politieke tegenstanders van de PDB beschuldigden haar er enerzijds van geld van een Duitse stichting te hebben aanvaard en aldus het beleid van het "Deutschtum" [samenbrengen van alle Duitsers] van de tussenoorlogse periode voort te zetten. Anderzijds vonden ze dat hun vooroordelen bevestigd werden, namelijk dat de PDB anti-Belgisch was en nog altijd aasde op een terugkeer naar Duitsland. Dat werd door de PDB keer op keer ontkend. Zij gaf toe dat deze liaison een vergissing was geweest en verwees naar de actieve rol van twee van haar leden bij het ontslag van de rechtse nationalistische bestuursleden.

Ook de discussies over de feestdag van de Duitstalige Gemeenschap en haar wapenschild (1990) gaven blijk van het tegenstrijdige zelfbeeld van de gekozen volksvertegenwoordigers: Het wapenschild verwijst niet naar de recente geschiedenis van de regio maar naar de hertogdommen Luxemburg en Limburg in de Vroegmoderne Tijd. Voor de feestdag koos men de feestdag van de Belgische dynastie (15.11). Met deze symboliek vermeden de politici een confrontatie met hun eigen geschiedenis.

Intussen ging de hervorming van België almaar verder. In 1980 werden de Gewesten in België opgericht. Zij zijn bevoegd voor economische aangelegenheden. Door deze tweede staatshervorming werd de Duitse Cultuurgemeenschap een onderdeel van het Waals Gewest. Deze aansluiting had aanhangers maar ook felle tegenstanders. Veel Duitstaligen waren bang dat ze eerst deel zouden uitmaken van het Waals Gewest en daarna van het Franse taalgebied, ook al hebben de meeste inwoners van Oost-België een goede kennis van het Frans als tweede taal.

Politiker2

De in 1973 opgerichte Raad van de Duitse Cultuurgemeenschap kon alleen verordeningen en geen wetten uitvaardigen. Alleen de Franse en Vlaamse Cultuurraden hadden deze bevoegdheid. Dat veranderde in 1984 met de oprichting van de Raad van de Duitstalige Gemeenschap (RDG). De tweede staatshervorming maakte het mogelijk om in onderlinge overeenstemming gewestelijke bevoegdheden aan de Gemeenschap over te dragen. In 1989 werden de Gemeenschappen bevoegd voor onderwijs. De begroting van de Duitstalige Gemeenschap steeg daardoor van 30 miljoen tot meer dan 80 miljoen euro.

Uit dit alles blijkt dat de Duitstalige Belgen door deze processen alsmaar meer verantwoordelijk werden voor de politieke vorming van hun eigen regio. Naarmate de federalisering vorderde, werd culturele autonomie een integraal onderdeel van het dagelijkse leven van de Duitstalige Belgen.

1993 was het symbolische hoogtepunt van de Belgische staatshervormingen. Sinds de vierde staatshervorming luidt het eerste artikel van de grondwet van het Koninkrijk België als volgt: "België is een federale Staat, samengesteld uit de gemeenschappen en de gewesten."

Terwijl dit zich allemaal voltrok, veranderde ook Europa: Net als in de rest van Europa vond de Groene Beweging met de partij Ecolo (vanaf 1981) haar plaats in het politieke landschap van Ostbelgien. Het Verdrag van Maastricht (1993) en het Akkoord van Schengen (1995) waren andere belangrijke stappen in de richting van Europese integratie. Ze hadden concrete gevolgen voor de Duitstalige Belgen als grensbewoners. Die zagen deze ontwikkelingen als een manier om hun dagelijks leven te vereenvoudigen.

De geschiedenis van Ostbelgien van de oprichting van de Raad van de Duitse Cultuurgemeenschap tot de federalisering van België is tot nu toe nauwelijks wetenschappelijk onderzocht. Dat heeft vooral te maken met een zekere achterstand bij het historisch onderzoek van het interbellum en de oorlogstijd. Na aanvankelijke aarzeling was de periode 1914-1950 lange tijd het dominante onderwerp van het historisch onderzoek. Vanaf de jaren 2000 interesseerde dat onderzoek zich meer en meer voor de positie van de Duitstalige Belgen in het huidige politieke bestel van België.

Zoals je merkt, was de periode 1973 tot 1993 een bewogen tijd. Toen werden de fundamenten gelegd voor onze moderne, individualistische samenleving. Eigen identiteit is in ons dagelijks leven belangrijk. Wat denk je: Hebben deze controversiële discussies voor vooruitgang in Ostbelgien gezorgd of vormden ze een hinderpaal voor een nieuw zelfbeeld?
  • 1988

    Eifeler Interkommunale

    Die Gemeinden im Süden OB gründen eine Interkommunale für das Sozial- u. Gesundheitswesen. (ISG) - 1993, Interkommunale Gesellschaft als Träger für die alten- u. Pflegeheime; ab 2011 VIVIAS)

  • Unterrichtswesen wird Gemeinschaftskompetenz

  • 1977

    Belgischer Runfunk autonom

  • 1976

    Gründung des Sozial-Psychologischen Zentrums (SPZ)

  • 1972

    Worriken

    Grundsteinlegung für das Sport- u. Freizeitzentrum Worriken in Bütgenbach

  • 1971

    Naturpark Hohes Venn-Eifel